In vergelijking met 2015 daalde de totale economische output van de Europese landbouwsector met 2,8 procent tot 405 miljard euro. Met 17 procent van het Europese totaal was het Frankrijk dat vorig jaar voor de grootste output zorgde, gevolgd door Italië (13%) en Duitsland (13%). Dat blijkt uit cijfers van Eurostat. Zowel de opbrengst van de dierlijke productie als de outputwaarde van de gewassen daalde. Opvallend was dat er in Oost-Europa geen sprake was van een daling en de waarde van de landbouwproductie fors steeg. 

In eigen land ging 2016 de geschiedenisboeken in als “een jaar om snel te vergeten”, maar geldt dat ook voor de andere Europese lidstaten? Eurostat brengt met nieuwe cijfers meer duidelijkheid. Zo blijkt dat de totale economische output van de Europese landbouwsector vorig jaar met 2,8 procent gedaald is ten opzichte van een jaar eerder. In 2016 werd het equivalent van 59 procent van de waarde van de geproduceerde landbouwproductie besteed aan intermediair verbruik (inputgoederen en -diensten), terwijl de bruto toegevoegde waarde, of de waarde van de output min de waarde van het intermediaire verbruik, het equivalent was van 41 procent of 165,7 miljard euro.

De Franse landbouw neemt met 70,3 miljard euro 17 procent van het EU-totaal voor zijn rekening. Op de tweede plaatst volgt Italië met 53,4 miljard euro of 13 procent, op de hielen gevolgd door Duitsland met 52,9 miljard euro. Verderop volgen Spanje (46,8 miljard euro, 12%), het Verenigd Koninkrijk (27,9 miljoen euro, 7%), Nederland (27 miljoen euro, 7%), Polen (22,4 miljard euro, 6%) en Roemenië (15,4 miljard, 4%). De Belgische landbouwsector strandde na een matig 2016 op 8 miljard euro, wat precies 1 procent minder is dan in 2015.

Als we naar de sterkste stijgers en dalers kijken, dan valt op dat landbouwjaar 2016 economisch in Oost-Europa merkelijk minder slecht was dan in West-Europa. Zo steeg de economische output in Slovakije (+10,7%), in Polen (+4,6%), in Hongarije (+4,1%), Tsjechië (+3,5%) en Kroatië (+3,4%). In Estland donderde de output dan weer naar beneden, met liefst 19,8 procent, te wijten aan een daling bij de gewassen van bijna 32 procent. Ook in Litouwen (-8,3%), Frankrijk (-6,5%), Denemarken (-5,4%) en Slovenië (-5,2%) waren er flinke dalingen te noteren.

De vraag die zich opdringt: waaraan is de waardedaling te wijten? Dalende prijzen? Of dalende volumes? Of een combinatie? Uit de cijfers van Eurostat blijkt dat de daling met 2,8 procent vooral te verklaren is door een daling met 3,3 procent van de waarde van de dierlijke output. Die daling valt verder op te splitsen in een prijsdaling van 4,9 procent die gedeeltelijk gecompenseerd wordt door een volumestijging met 1,7 procent. Verderop in de cijfers merken we dat vooral de outputwaarde van melk (-5,2%) en rundvlees (-3,6%) voor een negatieve eindbalans zorgt.

Voor gewassen bedraagt de daling 2,5 procent ten opzichte van 2015 door een prijsdaling met 1,8 procent en een volumedaling met 0,7 procent. De daling met 13,5 procent voor granen werd deels gecompenseerd door stijgingen met 23,5 procent voor aardappelen, 4,5 procent voor voedergewassen en 2,7 procent voor industriegroenten. Het globale eindcijfer had overigens nog negatiever kunnen uitvallen, ware het niet dat ook de inputkosten met 3,4 procent zijn gedaald vorig jaar, met vooral merkelijke goedkopere meststoffen (-8,6%) en lagere energiefacturen (-7,8%).

Alle cijfers via Eurostat.

Bron: www.vilt.be